Deze resultaten komen voort uit onderzoek dat werd uitgevoerd tijdens vier World Cup en WK wedstrijden in 2018 en 2019. Er deden 168 deelnemers mee aan de studie: 105 van hen fietsten met de benen (88 op een standaard racefiets en 17 op een tricycle) en 63 fietsten met de armen (56 liggend op de handbike en 7 knielend).
Gevonden relaties
Voor de beenfietsers vonden de onderzoekers de volgende relatie:
- Snelheid tijdens tijdrit (in km/uur) = 28,374 + (0,015 x vermogen tijdens sprinttest (in watt))
Voor de armfietsers gold:
- Snelheid tijdens tijdrit (in km/uur) = 21,915 + (0,030 x vermogen tijdens sprinttest (in watt))
Het type fiets (twee- of driewieler) of de positie op de handbike (liggend of knielend) maakte hierbij niet uit. Ook de oorzaak van de beperking van de sporter (afname spierkracht, gedeeltelijke of volledige amputatie, verminderde coördinatie) veranderde de relaties tussen het sprintvermogen en tijdritsnelheid niet.
Wat is bekend:
- Vermogen is een belangrijke prestatieparameter bij fietsen en handbiken.
- Het door een parawielrenner geleverde vermogen hangt af van het spiergebruik, getraindheid, techniek en afstelling van de fiets/handbike.
- De maximale isometrische duw- en trekkracht van de armen is een goede voorspeller van het vermogen van een handbiker tijdens een sprinttest en de tijdrit.
- Bij de tijdritprestatie spelen ook andere factoren een rol.
Wat is nieuw:
- Het vermogen tijdens een 20 seconden sprinttest is een goede voorspeller van de tijdritprestatie op de weg, bij alle groepen parawielrenners.
Sprintprotocol op eigen fiets
De indoor sprinttest werd uitgevoerd op de eigen fiets die op een ergometer (Cyclus2) werd geplaatst. Alleen gebruikers van een tricycle deden hun sprinttest ook op een standaard racefiets, omdat hun fiets niet op de ergometer paste. Na een warm-up van 5 minuten moesten de parawielrenners 20 seconden zo hard mogelijk de pedalen rondtrappen of ronddraaien, waarbij het gemiddelde vermogen werd gemeten. Gemiddeld was dit 482 ± 156 (SD) watt voor de renners die op een racefiets uitkwamen en 322 ± 153 watt voor de gebruikers van een tricycle. Voor de handbikers was het gemiddelde vermogen 303 ± 122 watt voor de liggende positie en 445 ± 113 watt voor de knielende positie.
Het geleverde vermogen werd vervolgens vergeleken met de gemiddelde snelheid tijdens de tijdritwedstrijd, die in de dagen ervoor of erna gefietst werd. De afstand van de tijdrit lag tussen de 10,4 en 31,2 kilometer. De gemiddelde snelheid was 38 ± 5 (racefiets), 28 ± 4 (tricycle), 31 ± 6 (handbike liggend) en 34 ± 6 km/uur (handbike knielend).
Nog meer factoren
Uit de resultaten kwam duidelijk naar voren dat een hoger vermogen in de sprinttest over het algemeen gepaard ging met een snellere tijdrit. Desalniettemin laten de determinatiecoëfficienten (R2, voor de benen: 61%; voor de armen: 56%) zien dat ook andere factoren van belang zijn bij een goede tijdritprestatie. Denk hierbij aan: pacing strategie, uithoudingsvermogen, afstelling van de fiets, aerodynamica, stuurkunst en omgaan met vermoeidheid.
Praktische tips voor coaches en trainers
- Maak sprinttraining een belangrijk onderdeel van het programma van een parawielrenner.
- Gebruik een indoor sprinttest zoals op de Cyclus2 om de vooruitgang van een renner te monitoren.
- Ken je het 20 seconden sprintvermogen van je renner? Dan kun je de te verwachten gemiddelde snelheid tijdens een tijdrit op de weg inschatten.
- Blijf alert op andere factoren die van belang zijn voor de tijdritprestatie en besteed daar in de training ook aandacht aan.
Bronnen
- Nooijen, C. F., Muchaxo, R., Liljedahl, J., Bjerkefors, A., Janssen, T., van der Woude, L., Arndt A & de Groot, S. (2021). The relation between sprint power and road time trial performance in elite para-cyclists. Journal of Science and Medicine in Sport, 24 (11), 1193-1198.