Paralympic Science Support NL logo Topsport Topics

Themabijeenkomst: dwarslaesie & topsport

Op 14 januari 2026 kwamen coaches, trainers en embedded scientists samen voor een uitgebreide kennissessie over dwarslaesie en sport. Experts uit de revalidatiegeneeskunde, inspanningsfysiologie en internationale classificatie boden een actueel en praktijkgericht overzicht van medische aandachtspunten, fysiologische uitdagingen en de rol van classificatie binnen de Paralympische sport.

De kennissessies boden een rijk multidisciplinair overzicht van medische, fysiologische en sporttechnische aspecten van dwarslaesie in topsport:

  • vroegtijdige herkenning van complicaties
  • individuele fysiologische begeleiding
  • zorgvuldige en transparante classificatie

Voor coaches en embedded scientists vormt deze kennis een essentiële basis om Paralympische atleten veilig, effectief en duurzaam te begeleiden richting sportieve excellentie. De bijeenkomst werd georganiseerd door Paralympic Science Support NL in samenwerking met het Amsterdam Institute of Sport Science.

Dwarslaesie en secundaire complicaties

Wendy Achterberg (revalidatiearts bij Reade) opende de ochtend met een overzicht van de medische basis van dwarslaesies en de brede waaier aan secundaire complicaties die sporters kunnen ervaren. Ze benadrukte dat elke beschadiging van het ruggenmerg die symptomen veroorzaakt onder de noemer dwarslaesie valt, met uiteenlopende oorzaken zoals trauma, infecties, tumoren of vasculaire problemen.

Achterberg lichtte de AIS-classificatie toe, die onderscheid maakt tussen complete en incomplete laesies (AIS A–E). Deze indeling bepaalt in belangrijke mate het motorische en sensibele functioneren van een sporter. Ook vormt deze indeling de basis voor medische begeleiding en trainingsaanpassingen.

Sporters met een dwarslaesie kunnen te maken krijgen met een groot aantal complicaties, waaronder neuropathische en nociceptieve pijn, spasticiteit, blaas- en darmproblematiek, decubitus, luchtweginfecties en ademhalingsproblemen, osteoporose, autonome dysregulatie en bloeddrukproblemen. Achterberg benadrukte dat coaches en begeleiders een belangrijke signalerende rol hebben. Vroege herkenning en laagdrempelig overleg met medische experts zijn cruciaal om problemen te voorkomen of tijdig te behandelen.

Praktische tips voor coaches en trainers:

  • Secundaire complicaties bij dwarslaesie zijn veelzijdig en vaak onderbelicht.
  • Bewustwording en vroegtijdige signalering zijn cruciaal binnen de sportcontext.
  • Bespreek klachten op een laagdrempelige manier met de sporters.
  • Zoek bij twijfel tijdig contact met de medische staf of een gespecialiseerde revalidatiearts.

Inspanningsfysiologie bij atleten met een dwarslaesie

Prof. dr. Thomas Janssen (hoogleraar Bewegingswetenschappen aan de VU en werkzaam bij Rade) besprak de unieke fysiologische uitdagingen waarmee atleten met een dwarslaesie te maken hebben. Zijn presentatie bood inzicht in circulatie, temperatuurregulatie en het bepalen van trainingsintensiteit.

Door verstoorde of afwezige sympathische innervatie is de maximale hartfrequentie bij tetraplegie sterk verlaagd (100–120 bpm). Ook slagvolume en hartminuutvolume zijn beperkt door een zwakkere hartspier, verminderde veneuze terugkeer en het ontbreken van vasoconstrictie en spierpomp. Dit heeft directe gevolgen voor prestaties bij armarbeid. Tevens hebben atleten met een hoge dwarslaesie vaak last van chronische lage bloeddruk, wat kan leiden tot problemen met betrekking tot geheugen, aandacht en executieve taken. 

Lijnrecht hiertegenover staat het fenomeen autonome dysreflexie: een plotselinge, extreme bloeddrukstijging uitgelokt door pijnprikkels (zoals een volle blaas) onder het laesieniveau. Janssen benadrukte niet alleen het gevaar hiervan, maar waarschuwde ook voor ‘boosting’: het opzettelijk uitlokken van deze reactie voor prestatiewinst. Dit is verboden (doping) en potentieel levensgevaarlijk.

Wat betreft temperatuurregulatie hebben atleten, afhankelijk van de laesiehoogte, een sterk verminderd vermogen om warmte af te voeren (niet kunnen zweten) of warmte vast te houden (niet kunnen rillen). Dit maakt hen gevoelig voor respectievelijk hyperthermie en hypothermie. Koelstrategieën zoals koelvesten, watersprays of pre-cooling kunnen effectief zijn, maar de respons hierop blijkt sterk individueel bepaald.

Bepalen van inspanningsintensiteit is belangrijk voor coaches en atleten en wordt vaak gedaan met behulp van hartfrequentiemetingen. Dit is meestal ook mogelijk bij atleten met een dwarslaesie, maar er moet naast de reguliere verstorende factoren zoals hoge temperaturen en waterhuishouding, zeker rekening gehouden worden met de hoogte en compleetheid van de laesie, de inspanningsmodus, hulpmiddelen zoals buikbanden of elektrostimulatie en autonome dysreflexie. Daarom zijn subjectieve maten zoals RPE (Borg-schaal) vaak betrouwbaarder, vooral bij atleten met een hoge dwarslaesie.

Praktische tips voor coaches en trainers:

  • Naast de algemene inspanningsfysiologie vereist dwarslaesie specifieke aandacht voor een verstoorde circulatie (verlaagd slagvolume, hartfrequentie en hartminuutvolume).
  • Wees alert op een verstoorde temperatuurregulatie; de atleet loopt een verhoogd risico op oververhitting (hyperthermie) tijdens inspanning.
  • Hartfrequentie is bruikbaar, mits men alert is op verstorende factoren en individuele verschillen. Subjectieve maten (zoals RPE/Borg) zijn een waardevolle, en soms noodzakelijke, aanvulling of vervanging.

Classificatie bij atleten met een dwarslaesie

Ingrid Kouwijzer (senior onderzoeker bij Reade en internationaal classifier Para-cycling) zoomde in haar sessie in op het classificeren van atleten met een dwarslaesie. Waar de medische diagnose (de hoogte en compleetheid van de laesie) het startpunt is, draait de classificatie uiteindelijk volledig om de functionele impact. 

Het Internationaal Paralympisch Comité heeft verschillende typen aandoeningen  – ‘eligible impairments’ – gedefinieerd die in aanmerking komen voor classificatie. De diagnose dwarslaesie valt hierbij onder het impairment spierkrachtverlies (‘impaired muscle power’). De klasse die atleten met een dwarslaesie krijgen, hangt dus af van de mate waarin hun spierfunctie neurologisch is aangedaan door de dwarslaesie. 

Dit zorgt voor een belangrijk onderscheid in hoe er naar deze atleten wordt gekeken in vergelijking met de fysiologische sessie van Thomas Janssen. Zoals besproken in de eerdere sessie, hebben atleten met een dwarslaesie vaak ernstige fysiologische nadelen, zoals een gelimiteerde maximale hartslag, problemen met temperatuurregulatie (niet kunnen zweten) en bloeddrukregulatie. Het is belangrijk je te realiseren dat deze fysiologische consequenties niet worden meegenomen tijdens classificatie. 

Waar wordt specifiek op gelet tijdens classificatie?

  1. De eerste stap is het bestuderen van de medische informatie met de hoogte en compleetheid van de dwarslaesie (ASIA score). 
  2. Vervolgens wordt de spierfunctie getest (Manual Muscle Testing): Er wordt gekeken of een spier werkt én maar hoe goed deze werkt. Dit wordt gescoord op een schaal van 0 tot 5. Schaal 0-2: Geen activiteit of beweging niet tegen zwaartekracht in. Schaal 3: Beweging tegen zwaartekracht in. Schaal 4-5: Beweging tegen (maximale) weerstand. Dit is essentieel om het verschil te maken tussen bijvoorbeeld een complete en incomplete dwarslaesie, waarbij de éne atleet nog wel enige aansturing heeft en de andere niet. Hierbij worden de spieren van armen, romp en benen getest. Welke spieren het belangrijkst zijn, hangt af van de sport. 
  3. Sport-specifiek testen: iedere sport heeft een aantal specifieke testen die bepaalde belangrijke bewegingen van de sport nabootsen. Zoals bijvoorbeeld dynamische romptesten bij kayak of rolstoelrugby. 
  4. De koppeling naar de sport (Technical Assessment en Observational Assessment) kijkt naar de interactie tussen de atleet en equipment, bijvoorbeeld de rolstoel. Daarnaast wordt de atleet geobserveerd tijdens de wedstrijd. Hoe vertaalt de laesie zich naar het veld? 

Praktische tips voor coaches en trainers:

  • Scheiding biomechanica en fysiologie: classificatie bij dwarslaesie compenseert voor het verlies aan spierkracht, maar negeert bewust de fysiologische nadelen (zoals temperatuur- en hartslag regulatie).
  • Detailniveau: het is geen kwestie van ‘wel of geen dwarslaesie’, maar een gedetailleerde scoring (0-5) van elke relevante spiergroep en de rompstabiliteit.

Auteur(s)

Topsport Topics
verslag